Peildatumarbitrage, hoe werkt dat?

Wat houdt de anti peildatumarbitragebepaling bepaling precies in binnen de overbruggingswet box 3?

Door Sarah Verweij

Op 20 december 2022 nam de Eerste Kamer de ‘Overbruggingswet box 3’ aan. Deze wet regelt de box 3-heffing over de jaren 2023 tot en met 2025. In deze wet is een anti peildatumarbitragebepaling opgenomen. Peildatumarbitrage met als doel de belastingheffing te verlagen is volgens de wetgever immers ongewenst. Wat houdt deze bepaling precies in? Op wie is deze bepaling van toepassing? En wat betekent dit precies voor belastingplichtige? 

In dit blog bespreek ik kort in welk opzicht de overbruggingswetgeving verschilt ten opzichte van de wetgeving die gold tot eind 2022. Daarna ga ik in op de overbruggingswetgeving zoals opgenomen in de peildatumarbitrage-regeling. Tenslotte bespreek ik wat een belastingplichtige moet doen, om te voorkomen dat de vermogensbestanddelen ten onrechte in de categorie ‘overige bezittingen’ worden belast. 

Overbruggingswetgeving 
De ‘Overbruggingswet box 3’ is een tijdelijke oplossing voor de box 3-heffing tot het moment waarop het nieuwe box 3 stelsel in 2026, waarin belasting wordt geheven op basis van werkelijk genoten rendement, in werking treedt. In mijn blog ‘De nieuwe box 3-wetgeving en de overbrugginsregeling voor de tussenliggende jaren’ besprak ik al wat men de komende jaren ten aanzien van de box 3-heffing kan verwachten. 

De ‘Overbruggingswet box 3’ houdt kortgezegd in dat bezittingen in drie verschillende vermogenscategorieën kunnen worden ingedeeld, namelijk: spaargeld, overige bezittingen en schulden. Elke vermogenscategorie kent een eigen forfaitair rendementspercentage, namelijk:

Deze tabel laat zien dat in 2023 voor spaargeld een forfaitair rendementspercentage van 0,36 procent geldt, terwijl het forfaitaire rendementspercentage van de overige bezittingen 6,17 procent is. 

Schulden daarentegen worden ‘slechts’ tegen een rentepercentage van 2,57 procent in aftrek toegestaan. De belastingdruk op spaargeld is dus veel lager in vergelijking tot de belastingdruk op overige bezittingen. 

Peildatumarbitrage
Voor de vaststelling van de omvang van het box 3-vermogen wordt aangesloten bij de waarde van de bezittingen en schulden op de peildatum, namelijk 1 januari van het jaar waarover de belastingplichtige aangifte doet. Het zou belastingtechnisch gezien dus voordelig zijn om vlak voor de peildatum beleggingen, bijvoorbeeld aandelen (overige bezittingen met een forfaitaire rendementspercentage van 6,17%) te verkopen, zodat er op de peildatum minder overige bezittingen zijn en meer banktegoeden (forfaitair rendementspercentage van 0,36%). Als de aandelen na de peildatum weer worden aangekocht, dan houdt de belastingplichtige de facto dezelfde vermogensmix, maar omzeilt hij het hogere rendementspercentage van de categorie overige bezittingen van 6,17 procent. 

Zo betaalt de belastingplichtige dus minder belasting. Dit ver- en aankopen rond de peildatum wordt peildatumarbitrage genoemd. Ook met schulden kan worden gearbitreerd. In dit geval leent een belastingplichtige vlak voor de peildatum een aanzienlijk bedrag bij de bank en zet dat op een bankrekening. Het gevolg is meer schulden met een (negatief) forfaitair rendement van 2,57 procent in 2023 en navenant hogere banktegoeden met een rendement van 0,36 procent. Dit resulteert eveneens in een verlaagde belastingheffing. In dit blog beperk ik mij tot de eerstgenoemde vorm van peildatumarbitrage. 

Anti-peildatumarbitragebepaling
De anti-peildatumarbitragebepaling regelt dat een handeling, in de vorm van een tijdelijke omzetting van overige bezittingen in spaargeld, voor de belastingheffing wordt genegeerd. Door het negeren van deze handeling gaat de Belastingdienst dus niet uit van de daadwerkelijke samenstelling van het vermogen op 1 januari, maar kijkt zij naar de samenstelling van het vermogen vóórdat de omzetting plaatsvond. Het vermogen dat tijdelijk is omgezet wordt dan belast tegen het forfaitaire rendementspercentage van 6,17 procent in plaats van – deels – met het forfaitaire rendementspercentage van 0,36 procent.

De arbitrageperiode
De twee handelingen, i) het verkopen van overige bezittingen en ii) het kopen van overige bezittingen, moeten zich beide voltrekken binnen een tijdsbestek van drie maanden (de arbitrageperiode). De arbitrageperiode vangt aan op de datum waarop de oorspronkelijke transactie (de verkoop) plaatsvindt. Daarnaast moet de peildatum in de arbitrageperiode zijn gelegen. 

Dit betekent dat transacties die zijn gedaan voor 1 oktober en na 31 maart sowieso niet als arbitragehandelingen kunnen worden aangemerkt. Dit geldt ook als een vermogensbestanddeel wordt aangekocht dan wel verkocht meer dan drie maanden na de eerste transactie. 

Zakelijke overwegingen
Echter, als er bij de arbitragehandeling sprake is van zakelijke overwegingen, te weten overwegingen die niet als doel hebben om belastingheffing te verlagen, dan is de anti arbitragebepaling niet van toepassing. De Belastingdienst neemt dan de daadwerkelijke vermogenssamenstelling van 1 januari in aanmerking voor de berekening van de box 3-heffing. Wat precies onder zakelijke overweging moet worden verstaan moet zich nog uitkristalliseren in de rechtspraak. 

Wel doet een belastingplichtige er goed aan om het bewijs, dat zakelijke overwegingen aan de handelingen ten grondslag lagen, voorhanden te houden. Was omstreeks 1 januari bijvoorbeeld geld nodig voor het aankopen van bijvoorbeeld onroerend goed en heeft de belastingplichtige aandelen verkocht om geld beschikbaar te maken? In dat geval doet de belastingplichtige er goed aan documenten te bewaren, waaruit blijkt dat hij voornemens was onroerend goed te kopen. Mocht de Belastingdienst vragen stellen, dan kan een belastingplichtige door middel van stukken laten zien wat de reden was om overige bezittingen, zoals beleggingen te verkopen. Op die manier zorgt een belastingplichtige dat hij ten onrechte in de categorie ‘overige bezittingen ‘wordt belast. 

Aangifte inkomstenbelasting en handhaving door de Belastingdienst
In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekering van 2023 e.v. is de vraag opgenomen of sprake was van peildatumarbitrage. Een belastingplichtige zal dus in zijn aangifte moeten aangeven of sprake is geweest van peildatumarbitrage en zo ja, of sprake was van zakelijke (niet-fiscale) overwegingen. Op deze manier brengt de Belastingdienst de groep belastingplichtigen in beeld bij wie mogelijke peildatumarbitrage aan de orde is. 

De Belastingdienst zal vervolgens controleren of sprake is van arbitragehandelingen waaraan geen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Daarnaast zal de Belastingdienst in het kader van de toezichtstrategie, door middel van steekproeven, ook aangiftes controleren waarin de vraag of sprake is geweest van peildatumarbitrage niet is beantwoord of waar is geantwoord dat er geen sprake was van peildatumarbitrage.

Het niet beantwoorden van de vraag of er sprake is van peildatumarbitrage of het onjuist beantwoorden van deze vraag kan onder meer omkering en verzwaring van de bewijslast met zich meebrengen. Daarnaast kan de Belastingdienst aan een belastingplichtige een vergrijpboete opleggen, als er sprake is van een onvolledige of onjuiste aangifte. Bij een belastingnadeel van 20.000 euro of meer loopt een belastingplichtige het risico strafrechtelijk te worden vervolgd. 

Conclusie
In de Overbruggingswet box 3 is een anti-peildatumarbitragebepaling opgenomen. Hiermee kan de Belastingdienst een handeling, waarbij een belastingplichtige zijn overige bezittingen uit box 3 tijdelijk omzet in spaargeld, negeren. Dit resulteert in een belastingheffing over overige bezittingen met een forfaitair rendementspercentage van 6,17 procent. 

Zo gaat een belastingplichtige na of hij onder de anti-peildatumarbitrage-regeling valt. 
1. Is er sprake van een arbitragehandeling?
i. Verkoopt een belastingplichtige overige bezittingen (start van arbitrageperiode  van drie maanden)?;
ii. Koopt een belastingplichtige overige bezittingen aan binnen die periode van drie maanden?
iii. Zit in die periode van drie maanden de peildatum van 1 januari?
Als de vragen i. tot en met iii. met ja kunnen worden beantwoord, is er sprake van peildatumarbitrage en wordt i. genegeerd, tenzij er sprake is van punt 2:

2. Is er bij de arbitragehandeling sprake van zakelijke overwegingen?
Als er sprake is van een arbitragehandeling waar zakelijke overwegingen aan ten grondslag liggen, dan negeert de Belastingdienst i. niet en is het forfaitaire rendementspercentage van 
0,36 procent van toepassing op het met de transactie verkregen banktegoed. 

Heeft u box 3-vermogen vlak voor 1 januari jl. verkocht en heeft u vragen over deze antipeildatumarbitrageregeling, neemt u dan contact met mij op.

Sarah Verweij is advocaat-belastingkundige bij Jaeger
 

Gerelateerde artikelen